De Ronde & Haveman

De Ronde & Haveman

Onderzoeks- en Adviesbureau voor Geobotanie en Landschap

Blog en nieuws

Wittfogel's Natuurmoment


Door: Rense Haveman


Proloog: Dit verhaal schreef ik enkele weken geleden, maar doordat de publicatie van Stratiotes wat op zich liet wachten schoof het natuurlijke moment om dit blog te publiceren verder naar achteren dan gehoopt. De pruimen zijn allang over hun hoogtepunt heen, de kersen bloeien volop en de appels beginnen ook. Maar gisteren hebben we als redactie van Stratiotes het speciale nummer aan Joop Schaminée aangeboden en is het ook tijd om dit blog het licht te doen zien. Veel leesplezier!


Het voorjaar schiet nog niet heel erg op, in elk geval niet in mijn hoofd. Hier in de Betuwe bloeien de pruimen al wel en zelfs de kersen openen schuchter hun knoppen. Het gaat me alleen niet snel genoeg, al weet ik dat ik er helemaal niets aan kan doen: ik moet rustig wachten en de momenten te baat nemen om toch naar buiten te gaan en te kijken wat er allemaal al groen wordt. De rest van de tijd lees ik wat om inspiratie op te doen. In een artikel van Bernd Sauerwein over de geschiedenis van de zoombegroeiingen stuitte ik op een referentie die interessante inzichten leek te bieden, maar het was op internet niet te vinden, ook niet in de gebruikelijke vageartikelenkrochten. Dus kocht ik het, antiquarisch. Het gaat om een essay uit 1931 van Karl August Wittfogel, historicus, sinoloog en filosoof, die onderdeel uitmaakte van de Marxistische Frankfurter Schule, waartoe ook de veel bekendere filosofen Adorno, Horkheimer en Marcusse behoorden. Gek is het, maar ineens kwamen er verschillende zaken bij elkaar, wederom in mijn hoofd: dit antieke artikel, het bijna verschijnen van een artikel van Iris en mij over geelsterren hier in de Betuwe, en een PKN-excursie naar de Zwolse geelsterren onder leiding van Henk Jan van der Veen en Eddy Weeda. 


Akkergeelster in een beschaduwd gazon in Zwolle. Dit zeldzame bolgewas groeit samen met allerlei gewone gazonplanten.


Natuur in wisselwerking met de arbeidende mens

Het essay van Wittfogel, "Die natürlichen Ursachen der Wirtschaftsgeschichte", leunt tamelijk zwaar op de filosofie van Marx dat in "Das Kapital" zijn hoogtepunt bereikte. Wittfogel betoogt dat de natuur in wisselwerking met de arbeidende mens - je hoort Marx - steeds aan verandering onderhevig is. Daarbij zou er volgens hem niet alleen sprake zijn van verandering van de natuur, maar zelfs van het nieuw ontwikkelen van wezenlijke kenmerken van de natuur, wat hij aanduidt met actualisering. Een goed voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van de akkernatuur op onze hogere zandgronden, denk ik. Deze akkernatuur kwam pas tot ontwikkeling, werd geactualiseerd, nadat onze voorouders een continue stroom van nutriënten op gang hadden gebracht van de heide, via de stal, naar de es. Die akkernatuur met zijn rijke akkerflora (die zich steeds verder ontwikkelde, zoals we onlangs hebben kunnen lezen in een artikel van Corrie Bakels in Gorteria) vormde een periode in de tijd, die weer teloor ging nadat we in de akkerbouw een heel andere afslag namen, die van de hoog-technologische en op chemie gebaseerde akkerbouw. Volgens Wittfogel neem je dan ook nooit de natuur "An Sich" waar, maar een natuurmoment: de gedaante van de natuur zoals die in een zekere periode onder invloed van de arbeidende mens geactualiseerd is. In deze term klinkt iets door van de latente aanwezigheid van latere momenten (het wordt niet ontwikkeld, maar slechts geactualiseerd, dus het zat er al in!), en in die zin is de actualisering van Wittfogel wellicht te vergelijken met de ontsluiting van de Nederlandse filosofen Dooyeweerd en Van Riessen. Dat natuurmoment moet je niet opvatten in de alledaagse betekenis van het woord, als het ogenblik, maar meer als de 'periode met eigen kenmerken'. Filosofen moeten tenslotte altijd diepere betekenis geven aan alledaagse woorden, zodat hun teksten lastig leesbaar zijn.


Geelsterren in de Betuwe

Voor mensen voor wie het voorjaar niet snel genoeg kan komen zijn geelsterren welkome vroege voorboden van de lente. Voor wie het niet weet: geelsterren - Gagea voor de botanici - zijn bolgewasjes waaraan aan het einde van de winter en het begin van het voorjaar gele stervormige bloemen verschijnen. In mei zijn ze bovengronds al zo goed als verdwenen, en je moet er dus vroeg bij zijn om ze te vinden. Voor types zonder al te veel geduld dus een uitkomst! In Nederland komen 5 soorten voor en ze zijn geen van alle algemeen te noemen. In de Over-Betuwe komen twee soorten voor, namelijk de weidegeelster (Gagea pratensis) en de  akkergeelster (Gagea villosa). De laatste is hier de zeldzaamste van de twee. In 2022 en 2023 hebben we vegetatie-opnamen op de vindplaatsen van deze soorten in de Over-Betuwe gemaakt en hierover verscheen dus een artikeltje in Stratiotes. Weidegeelster groeit op verschillende plekken in de Over-Betuwse dorpen in gazons en grazige wegbermen, terwijl akkergeelster vrijwel gebonden is aan begraafplaatsen. De vegetatie waarin ze groeien blinkt uit in onuitblinkendheid: doodgewone gazons met doodgewone  gazonbewoners, zoals madeliefje, brunel en paardenbloemen, en doodgewone akkeronkruidbegroeiingen met dito onkruiden, zoals klimopereprijs, paarse dovenetel, klein kruiskruid en kroontjeskruid. Slechts op één dodenakker groeit akkergeelster met heelbeen (Holosteum umbellatum), voorwaar geen algemene verschijning. Waarom staan die geelsterren niet in veel meer gazons en op veel meer begraafplaatsen? Wat is er zo bijzonder aan de groeiplaatsen dat er zulke grote bijzonderheden - de geelsterren - groeien?


Het oostelijke deel van de Over-Betuwe rond 1900. Rode stippen: de vindplaatsen van geelsterren anno 2023. Bron: topotijdreis.nl


Van boerenlandplant naar dorpsplant

In het artikel over de Over-Betuwse geelsterren gaan we ook in op de geschiedenis van groeiplaatsen. Tegenwoordig kun je heel gemakkelijk oude en nieuwe topografische kaarten van elke plek in Nederland vergelijken in topotijdreis.nl. Leuk speelgoed, zeker als je van kaarten èn van geschiedenis houdt. Je kunt weliswaar niet eeuwen terug, maar de kaarten tot in elk geval 1850 zijn heel goed vergelijkbaar. Als je de groeiplaatsen van de geelsterren in de tijd terug volgt, dan zie je dat ze vroeger eigenlijk allemaal buiten de dorpen lagen. Weidegeelster kwam in boerengrasland en in boomgaarden voor, akkergeelster in akkers. Hoe de soorten dáár terecht kwamen is natuurlijk niet met 100% zekerheid na te gaan, maar het is opvallend dat hier en ook elders de geelsterren vaak groeien op plekken waar ooit rivier- of beekwater stroomde - of overstroomde. Het is aannemelijk dat de soorten hier gekomen zijn met het rivierwater, dat bolletjes meegenomen zal hebben van plekken waar stukken land afgeslagen werden. In de Over-Betuwe zijn de meeste groeiplaatsen aanwezig op stroomruggen, daar waar in de loop van de eeuwen dikkere pakketten zand en zavel werden afgezet. Dit zijn ook precies de plekken waar de mens ging wonen, omdat het hogere en drogere plekken in het rivierengebied waren. In de akkers, graslanden en boomgaarden rond de kleine dorpjes bloeiden in het vroege voorjaar de geelsterren, waarschijnlijk eeuwenlang, waarschijnlijk vaak onopgemerkt. De mens leerde het water beheersen en hoewel er tot diep in de 20ste eeuw overstromingen plaatsvonden in de Betuwe zal de kracht van het water minder en minder zijn geworden, en daardoor steeds minder een vector zijn geweest voor de geelsterren, die langzamerhand een gestold, 'fossiel' verspreidingspatroon kregen. 


Toen in de loop van de 20ste eeuw de dorpen langzaam uitbreidden, verdwenen ongetwijfeld tal van groeiplaatsen van geelsterren onder de bebouwing en infrastructuur van de nieuwe dorpsdelen. Soms bleven ze echter wonderwel gespaard, in bermen, parken, op begraafplaatsen ook, die aangelegd werden op oude akkers. In het buitengebied vond ondertussen een agrarische revolutie plaats en intensiveerde de landbouw meer en meer. Als gevolg hiervan is in het eerste kwart van de 21ste eeuw niets over van de groeiplaatsen van geelsterren in het Over-Betuwse buitengebied en zijn de soorten alleen nog te vinden in delen van de dorpen die aan de oude kernen 'aangegroeid' zijn. Het landschap is voor de geelsterren volslagen omgekeerd: ze zijn van boerenlandplanten veranderd in dorpsplanten. 


Natuurmoment

Als je met Wittfogel's ogen naar de geelsterren kijkt, dan is de vraag naar de bijzondere omstandigheden van de groeiplaatsen die ik hiervoor stelde een onterechte. De vraag veronderstelt dat je de natuur observeert, alsof de fysisch-chemische omstandigheden van de standplaats dicteren of afdwingen wat er groeit, maar dat is niet zo. Het is niet natuur-deterministisch, het is een natuurmoment. Dat de geelsterren echte dorpsplanten zijn, dat ligt niet aan de geelsterren: het ligt aan de (arbeidende) mens. Wij hebben de geelsterren tot het bestaan als dorpsplant gedwongen, namelijk door beteugeling van het water, de intensivering van de landbouw en de uitbreiding van de dorpen. Dat laatste is in het licht van de ontwikkeling van de landbouw over de eeuwen een zegen voor de soorten, want zonder uitbreiding van de dorpen zouden waarschijnlijk àlle groeiplaatsen van de soorten verloren zijn gegaan in het geweld van de agrarische intensivering. Het optreden van de weide- en akkergeelsterren in de landbouwgebieden rond de dorpen in de 19de eeuw was een ander natuurmoment. Waarschijnlijk groeiden de soorten toen in plantengemeenschappen die tamelijk sterk verschilden van de gemeenschappen waar ze nu in optreden en die we beschreven hebben in ons artikel. En daarvoor? Toen de Batavieren het eiland tussen de rivieren bewoonden, toen de watermassa de Romeinse Limes vormden? Waren de geelsterren toen al onderdeel van de vegetatie? Ik denk het eigenlijk wel, ik zou niet goed weten waarom niet. Maar de vegetatie waarin ze optraden zal anders zijn geweest, een ander natuurmoment.


Anders dan in de Over-Betuwe blijken in Zwolle akker- en weidegeelster heel vaak gezamenlijk op te treden. De vegetatie lijkt daar heel sterk op de vegetatie waarin weidegeelster voorkomt in de Over-Betuwe, en overigens ook heel sterk op de vegetatie in Kassel waarin onze beide soorten samen met bosgeelster (Gagea lutea) groeien; Bernd Sauerwein berichtte hier over in een artikel uit de jaren 1990. Ondanks de verschillen zijn de overeenkomsten veel groter. In elk geval lijkt ook in Zwolle  het water - van de IJssel en het Zwarte Water in dit geval - de verspreidingsvector te zijn geweest voor de geelsterren. Waardoor ze hier samen voorkomen en in de Over-Betuwe niet? Geen idee. En hoe dit in Kassel is geweest: ook geen idee, daarvoor heb ik de lokale situatie helemaal niet helder. Zijn de soorten daar met het water van de Fulda meegekomen? Of heeft de geschiedenis hier een heel andere invloed gehad? Maar ook daar laat de natuur zich op verschillende momenten in de tijd met verschillende gezichten zien.


Waardevol inzicht?

Levert zo'n term als natuurmoment nu echt een nieuw of waardevol inzicht op? Het verhaal wordt er toch niet anders van, wel? Het gekke is dat het voor mij ineens een helder licht leek te werpen op een steeds feller wordende discussie, namelijk over wat natuur in dit land eigenlijk is. Hoe vaak ik niet lees dat we eigenlijk helemaal geen natuur hebben, omdat er geen onaangetaste systemen meer zijn. Ik vind dat niet alleen onwaar (het gaat in tegen alle, al eeuwenoude gedachten over wat natuur eigenlijk is), maar ook een dooddoener, en ik merk dat de uitspraak vaak bedoeld is om onder verantwoordelijkheden uit te komen. We hebben geen natuur meer, dus we kunnen de boel verder naar de kloten helpen. Maar als je beseft dat we door de geschiedenis heen steeds te maken hebben met verschillende natuurmomenten dan biedt dat wellicht ruimte voor het gesprek. Okay, we hebben geen oernatuur meer, maar dat wil niet zeggen dat de door de werkende mens geactualiseerde natuurmomenten geen waarde hebben! De term geeft de mogelijkheid uit een zwart-wit-schema van 'natuur-niet natuur' te ontsnappen. Wat we observeren is een uitingsvorm van de natuur, één van de vele, niet de natuur "An Sich". Het benadrukt de dynamische aard van onze natuurlijke omgeving: als de mens zijn arbeidswijze verandert wordt een ander natuurmoment geactualiseerd. Het verzacht daarmee de scheiding tussen cultuur en natuur, doordat de arbeidende mens als scheppende (en helaas ook maar al te vaak vernietigende) kracht achter het natuurmoment aanwezig is. Als de mierenkolonie in de 'Buckelwiesen' bij Mittenwald in de Vor-Alpen, of de tijmgraslanden langs de Vecht. De mens als onderdeel van het systeem dus, in ecologische termen een systemengineer.


Er is nog een inzicht dat hiermee samenhangt. Als Wittfogel het heeft over geactualiseerde natuurmomenten, dan introduceert hij vrijwel meteen ook de term ontactualisering (in het Duits Entaktualisierung). Actualisering van een natuurmoment houdt namelijk ook de ontactualisering van het vorige natuurmoment in. In het proces waarin de geelsterren dorpsplanten werden ontactualiseerden delen van het land als landbouwgrond en ze werden ("actualiseerden als") dorpsgebied. Ontactualisering zie je ook in het proces van braaklegging bijvoorbeeld: de functie valt weg, zonder dat het land een nieuwe functie of bestemming krijgt. De arbeidende mens trekt zich terug, en dit verandert het natuurmoment. Uit de studie die wij uitvoerden naar het habitat van de zadelsprinkhaan (Ephippiger diurnus), bijvoorbeeld, blijkt dat deze soort zijn optimum kende in het vroege stadium van ontactualisering van de plaggenlandbouw, het stadium waarin de heide braak kwam te liggen, verlaten werd. Er zijn tal van veranderingen in de vegetatie te duiden als actualisering-ontactualiserings-verschijnsel. Er ontstaat een nieuw natuurmoment. Wellicht is het iets om eens op te letten. Als je het eenmaal weet, dan zie je het overal. Of is dat óók alleen in mijn hoofd?


Referenties


  • Bakels, C. (2022). De Nederlandse akkerflora, een geschiedenis van toenemende rijkdom. Gorteria 44: 10-15. pdf
  • Haveman, R. & I. De Ronde (2022). Het habitat van Ephippiger diurnus. Sigmasociologische beschrijving van het habitat van de zadelsprinkhaan op twee militaire oefenterreinen. Rijksvastgoedbedrijf, directie Vastgoedbeheer, Afdeling Realisatie en Advies Buitenruimte, sectie Natuur, Wageningen, 56 pp. pdf

  • Haveman, R. & I. de Ronde (2024). Geelsterren (Gagea pratensis en Gagea villosa) in de Over-Betuwe. Stratiotes 61: 18-31. pdf
  • Sauerwein, B. (2007). Säume in der Landnutzungsgeschichte. Der Wandel der Säume und deren Bedeutung als Bienenweide. LEBBIMUK. Abhandlungen und Berichte aus dem Lebendigen Bienenmuseum Knüllwald 4: 5-20. pdf
  • Sauerwein, B. (1999). Gagea pratensis (Pers.) Dum., G. villosa (M.B.) Sweet (G. arvensis Dum.) und G. lutea (L.) Ker.-Gawl. im westlichen Stadtgebiet von Kassel. Floristische Rundbriefe 33: 77-92. pdf
  • Wittfogel, K.A. (1932). Die natürlichen Ursachen der Wirtschaftsgeschichte. Archiv für Sozialwissenschaft und Sozialpolitik 67: 466-492; 579-609;711-731.







Welkom op onze blogpagina! Hier zullen we op min of meer geregelde momenten artikelen - meestal longreads - en kortere nieuwsberichten plaatsen. Over al die dingen waar we tegen aan lopen, of het nu in het veld is, of in de media. Wilt u een melding krijgen als er een nieuw artikel verschenen is? Abonneert u zich dan op ons blog met het formulier onder aan deze pagina.

Naam  
E-mail